Ambassadeur Fatma Saraç-Pektas

"Dat voelen van respect en waardering is mijns inziens ook cruciaal voor het ervaren van inclusie en je onderdeel voelen van een organisatie.”
5 minuten leestijd

Wie?


“Ik ben gezegend met een dubbele cultuur.” Net uit het ei, nog geen twee maanden oud, verhuisde Fatma Saraç-Pektas, hoofdanalist moleculaire microbiologie en serologie, vanuit Turkije naar Nederland. “Ik voel me een Nederlandse Turk. Vanuit beide culturen heb ik normen en waarden overgenomen. De Nederlandse Fatma zal haar mening bijvoorbeeld nooit onder stoelen of banken steken. De Turkse Fatma gaat ’s avonds niet naar de kroeg. En ik draag een hoofddoek. In mijn studententijd - ik studeerde Biochemie in Alkmaar - deed ik gewoon gezellig mee hoor, maar dan wel op mijn manier. Overdag op pad, met een colaatje. En ik bracht iedereen die lijp was geworden van de biertjes weer veilig thuis.”

Specialiteit?


“Wat mijn team in die covid-periode gepresteerd heeft, daar ben ik enorm trots op.” Het team van Saraç is verantwoordelijk voor alle PCR-testen in het ziekenhuis. “Bijvoorbeeld bij de diagnostiek van hiv, hepatitis B of hepatitis C. Maar natuurlijk ook bij covid.” Ten tijde van corona draaide het 26-koppige team onder leiding van Saraç en haar collega overuren om het toenemende aantal coronatesten uit Amsterdam UMC én de regio te verwerken. Haar afdeling Moleculaire technieken is sinds maart 2020 dé afdeling die bevestigt of iemand corona heeft of niet. Zodra een test, ook wel ‘swabje’ genoemd, binnenkomt, is de uitslag na vier uur al bekend. “Bij de GGD duurde dit soms dagen.” De druk op de afdeling liep hoog op in de covid-periode, maar dankzij het instellen van een ploegendienstrooster konden de medewerkers het nog enigszins aan. “Gelukkig was de sfeer goed”, vertelt Saraç. “We waren nét gereorganiseerd en zo’n crisis helpt wel om sneller een hecht team te worden.” Wat voor leidinggevende ze is? “Absoluut een people manager. Mensen willen gezien en gehoord worden, dat is de basis. Dat doe ik onder andere door medewerkers mijn tijd te geven. Door iedere dag een praatje met ze te maken, echt naar hen te luisteren, hun zorgen te begrijpen en hun meningen, voorstellen en ideeën te overwegen. Een gesprek kan inhoudelijk met het werk te maken hebben, maar kan ook betrekking hebben op de behoeften en zorgen van de medewerker. Zo’n gesprek, al is het kort, met gemeende interesse heeft een grote impact, daar ben ik van overtuigd.”

Amsterdam UMC gaat voor divers en inclusief. Waar liggen kansen?


“Spreek eens wat vaker je waardering uit. Iedereen wil zich een gewaardeerd lid van de organisatie voelen. Dat dat écht belangrijk is, heb ik ook in de coronacrisis weer ervaren. We werkten ons een slag in de rondte toen. Moesten ineens in korte tijd tig testen verwerken. En ja, dan gaat er ook wel een keer iets mis. Daar balen we dan ontzettend van natuurlijk, maar wat ik vooral naar vond toen, is dat we daar van hogerhand metéén een boos bericht over kregen. En ál die duizenden tests die wel goed waren gegaan, waarom hebben we daar nooit iets over gehoord? Ik miste toen toch echt wel wat waardering voor onze inzet. Een compliment, wat positieve feedback, doet zoveel met mensen. Dat voelen van respect en waardering is mijns inziens ook cruciaal voor het ervaren van inclusie en je onderdeel voelen van een organisatie.”

Een goed voorbeeld van diversiteit en inclusie binnen Amsterdam UMC?


“Op intranet las ik een artikel over de Tolkentelefoon en de campagne ‘Dit is een kind en geen tolk’. Uit dat artikel bleek dat zorgverleners van Amsterdam UMC op elk moment de tolkentelefoon kunnen inschakelen. Zorgsupport heeft hiervoor geld beschikbaar gesteld. Dat raakte me echt, dat mijn organisatie dat zo goed geregeld heeft. Door mijn goede beheersing van de Nederlandse taal trad ik zelf vanaf een jaartje of elf ook op als tolk en vertaler. Niet alleen voor mijn ouders, maar ook
voor de buren en andere Turkse families in mijn omgeving. Van officiële brieven van instanties als de Belastingdienst en de bank tot aan schoolrapporten. Met een woordenboek ernaast probeerde ik de vaak pittige materie zo goed mogelijk te begrijpen. Ik ging ook mee naar afspraken met de bedrijfsarts, de huisarts en zelfs het ziekenhuis. Dat was soms best zwaar. Je hoort onderwerpen die je niet moet horen op die leeftijd. Gelukkig heb ik het zelf niet als traumatisch ervaren. Maar genoeg kinderen die er op latere leeftijd wél last van krijgen. Niet zo gek ook, je zadelt kinderen op met volwassen problemen. Een kind moet kind kunnen zijn. Fantastisch dus dat artsen er in ons ziekenhuis alert op zijn en altijd een tolk kunnen inschakelen. En mocht het nou toch een keer niet lukken met het regelen van een Turkse tolk dan mag je mij ook van mijn kamer trekken. Vind ik echt helemaal geen probleem. Als een kind het maar niet hoeft te doen.”
Ook wil ik hier nog graag de Amsterdam UMC-tram noemen, die door de stad reed toen we net gefuseerd waren. Op die tram een prachtige mix van collega’s, uit alle gelederen van de organisatie. Echt een mooi voorbeeld van diversiteit en inclusie. Er stond ook een collega met een hoofddoek op (Nora el Hantali, secretaresse op de afdeling Microbiologie red.). Dat maakte mij enorm trots. Want moslima’s worden vaak zeer eenzijdig afgebeeld. Favoriete beroep? Schoonmaker. Althans, zo lijkt het als je naar de mediabeelden kijkt. Met alle gevolgen van dien. Ik heb meer dan eens gehad dat mensen van buiten het ziekenhuis dachten dat ik in de schoonmaak of de catering werkte en of ik hun troep even op kon ruimen. Helemaal niets mis met dat werk natuurlijk. Maar wij moslima’s doen ook andere dingen. Dat kwam mooi tot uiting op die tram.”

Buiten werktijd?


“Ik lees alles wat los en vastzit, ben een echte boekenwurm. Al vrij snel na de start van de coronacrisis heb ik mezelf op een e-reader getrakteerd. De bibliotheek en de boekenwinkels waren natuurlijk dicht maar juíst toen had ik het écht nodig om even weg te kunnen vluchten in een boek. Telefoon weg, gordijnen dicht, realiteit even op pauze. Daarnaast ben ik een echte voetbalmoeder. ‘Hey, kijk achter je!’, roep ik dan vanaf de zijlijn naar mijn jongste zoon. Ik ben de trotse moeder van drie: twee zoons en een dochter. Zij zijn natuurlijk mijn grootste hobby. Bakken doe ik ook nog graag. Daar weten mijn collega’s inmiddels alles van. ‘Fatma, wanneer ga je weer van die lekkere Turkse hapjes voor ons maken?’ vragen ze dan. Doe ik met alle liefde hoor. Ik zet binnenkort wel weer wat köfte op de koffietafel.”